biografie ◄   boeken ◄   filographie ◄   scènes ◄   lezingen ◄   pers ◄  

 



                                        

 

Het einde van de tijd?

Inleiding
Tijd domineert het leven van de mens in meerdere opzichten, hij beschikt over een biologische klok en het maatschappelijke leven wordt in de loop van de geschiedenis in toenemende mate georga-niseerd met behulp van historische producten van tijdmeting. De mens handelt en denkt in termen van tijd met grote vanzelfsprekendheid maar zodra hij zich begint af te vragen wat tijd is ontstaan tal van vragen en problemen: is tijd een objectief, los van de mens, bestaand fenomeen of een creatie van het menselijke bewustzijn, heeft tijd begin en einde en zo ja wat was er dan vóór de tijd en wat zal erna komen, wanneer begon de tijd en houdt zij op, of heeft tijd als alles (het heelal) oneindig is geen betekenis of slechts betekenis voor de mens, als uitdrukking van zíjn verhouding tot de buitenwereld? In het verleden was tijd als problematiek onderdeel van de metafysica en veel filosofen hebben het vraagstuk van de tijd tot onderwerp van hun gedachten gemaakt. Wat hierbij opvalt is dat hun opvattingen uiteenliepen over de vraag in hoeverre tijd een objectief bestaand iets is of product van de menselijke geest. Door verscheidene onder hen werden pogingen ondernomen om te verklaren hoe het tijdloze, oneindige, (natuur, god, ziel, materie) het tijdelijke, eindige (de zintuiglijk waarneembare wereld) kan voortbrengen en hoe beide zich tot elkaar verhouden.

 

Wat de ontwikkeling van tijdsbesef en tijdmeting betreft is een tendens waarneembaar van concreet naar abstracter: aanvankelijk werd tijd in verband gebracht met handeling, de duur nodig om een bepaalde taak te volbrengen, en niet met meetbare eenheden. Door verandering van leefwijze (landbouw) ontstaat de noodzaak van een kalender en wor-den via observaties van hemellichamen de bewegingen van zon, maan en aarde als uitgangspunt van tijdsindeling genomen. Door nieuwe technieken en ontwikkelingen in de wetenschap ontstaan steeds pre-ciezere instrumenten voor tijdmeting, van zandloper tot atoomklok, ont-staan nieuwe vormen van tijdmeting en wordt tijdmeting gestandaar-diseerd.
Sinds de ontwikkeling van de moderne natuurkunde, vooral vanaf Newton, wordt het fenomeen tijd in toenemende mate beschouwd als onderwerp van deze tak van wetenschap (later wordt tijdservaring ook bestudeerd door de psychologie maar dit aspect van tijd blijft hier buiten beschouwing). De thermodynamica, Einsteins relativiteitstheo-rie en de kwantummechanica leveren merkwaardige bevindingen op die in strijd lijken te zijn met onze dagelijkse ervaringen en logica van causaliteit: onomkeerbare thermodynamische processen lijken in tegenspraak te zijn met de veronderstelde omkeerbaarheid van funda-mentele fysische wetten, afhankelijk van positie en snelheid van de waarnemer blijken Einsteins klokken verschillend te lopen, met alle gevolgen van dien voor ons begrip van dé tijd en mogelijkheden van tijdreizen, en de kat van Schrödinger blijkt zich in kwantumtoestand tegelijkertijd in dode en levende toestand te bevinden! Voor het vraagstuk eindigheid versus oneindigheid van de tijd worden door natuurwetenschappers uiteenlopende modellen ontwikkeld maar de ingewikkelde mathematische berekeningen hebben niet tot gevolg dat hun onderzoeksresultaten en meningen eenduidig en eensluidend worden; soortgelijke vragen als in het verleden gesteld binnen de metafysica, keren terug (of beter gezegd, zijn niet weggeweest maar van vorm veranderd) en blijven vooralsnog onopgelost.

Filosofen over tijd
Het vraagstuk van de tijd was en is regelmatig onderwerp van de filosofie en het is interessant om na te gaan hoe filosofen in ver-schillende tijden deze problematiek benaderen. Parmenides beweer-de dat tijd niet bestaat. Zijn gedachtegang luidt kort samengevat als volgt: alles waarover wij praten en denken kan niet tot bestaan komen omdat dit dan uit het niet-zijnde zou zijn ontstaan maar zijn kan niet uit niet-zijn ontstaan. Tijd betekent verandering maar verandering bestaat volgens Parmenides niet en bijgevolg tijd evenmin.
Voorzover bekend gaf Aristoteles als eerste een analyse over tijd. Tijd was volgens hem verbonden met beweging en getal: tijd is gefundeerd in verandering die weer gefundeerd is in het veranderende ding en tijd wordt geteld, veronderstelt een teller. Tijd heeft met andere woorden zowel een objectieve component, beweging van het ding, als subjec-tieve component, de teller. Tijd kan volgens Aristoteles oneindig ge-deeld worden. Theoretisch is dit inderdaad mogelijk maar praktisch ontstaat een probleem, omdat er dan geen beweging zou zijn. De paradox van Achilles en de schildpad is een voorbeeld van deze prak-tische onmogelijkheid: zou de tijd oneindig deelbaar zijn dan zou Achil-les de schildpad die met een kleine voorsprong is vertrokken nooit kunnen inhalen, sterker, beide zouden niet eens van hun beginpositie los kunnen komen omdat elk moment (punt) oneindig deelbaar is.
Het christelijke denken verzette zich tegen het idee van tijdcycli omdat dit niet tot persoonlijke verlossing zou leiden en gaat uit van tijd als lineair principe. De verhouding tussen eeuwigheid, God, en waarge-nomen eindigheid van het geschapene bracht voor Augustinus het volgende probleem met zich mee: ervan uitgaande dat God en zijn wil eeuwig zijn verandert Gods wil niet met de schepping van de wereld, zou zijn wil veranderen dan zou ze niet eeuwig zijn maar als zijn wil eeuwig is dan wilde hij de wereld altijd en daarmee wordt ook de wereld eeuwig. God en wereld zouden op deze manier van dezelfde orde zijn. Hij loste dit probleem op door God buiten de tijd te plaatsen en te stellen dat wat God vóór de schepping deed een zinloze vraag is.
Spinoza beschouwde tijd als een modus cogitandi, een product van het denken om duur mee aan te duiden en volgens Berkeley, die beweert dat alle dingen en ideeën voorstellingen van de geest zijn, is tijd afhankelijk van de geest en heeft ieder zijn eigen tijd.
Kant beschouwde tijd als apriori conditie voor elke mogelijke ervaring en verschijning, een conditie die ervaring mogelijk maakt. We weten volgens Kant dingen over tijd die noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld dat tijd opeenvolgend is. In de wereld van de verschijnselen is tijd volgens Kant relationeel, als formele voorwaarde is zij absoluut, een idee dat verwantschap vertoont met Newtons opvatting over absolute en relatieve tijd.
In Nietzsche ’s filosofie staan worden en verandering centraal, hij wijst het transcendentale en de universele geest af. Tijd is bij hem een onto-logisch principe van eeuwige terugkeer: verleden, toekomst en worden ontstaan in elk moment dat alle tijd bevat.
In de fenomenologie van Husserl en in diens voetsporen van Bergson en Sartre, wordt tijd beschouwt zoals het verschijnt in de ervaring, los van transcendentale of natuurwetenschappelijke veronderstellingen. Het tijdsbewustzijn verenigt een continue stroom van intentionaliteiten, van ervaringen die op iets gericht zijn.
Wat opvalt aan deze opvattingen van filosofen over tijd is dat de visies zeer uiteenlopen over de vraag of tijd een product is van het menselijk denken, objectief bestaat of beide aspecten in zich draagt. Hoe een veronderstelde eeuwigheid verbonden is aan de zintuiglijk waarneem-bare eindige wereld is een vraag die regelmatig terugkeert.

Besef van tijd en tijdmeting
Ontstaat besef van tijd pas bij de mens? Clark beweert van wel, dieren hebben dit besef volgens hem niet omdat deze geen betekenis hechten aan dode dieren van hun soort. Bekend is echter dat olifanten, dolfijnen en bepaalde aapsoorten rouwen om hun overleden soort-genoten en dat bepaalde vogels doodgaan kort na de dood van hun paar, bovendien hebben ook dieren een biologische klok die invloed heeft op hun dag- en nachtritme.
Aanvankelijk werd de ervaring van tijd door de mens gerelateerd aan concrete activiteiten. Zo blijkt uit onderzoek dat op het eiland Tikopia, ten oosten van de Salomon-eilanden, tijd in verband gebracht werd met de tijd die nodig was om ruw materiaal in een maaltijd om te zetten, om rond het eiland te lopen of langs een rif en terug te peddelen, en in veel oude culturen werd tijd in verband gebracht met muziek, het zich herhalen van seizoenen, menstruele cycli en der-gelijke, zaken die rechtstreeks te maken hebben met het dagelijkse leven. Tijd werd daarnaast geassocieerd met allerlei vormen van geloof en bijgeloof, en in deze context werden ook hemellichamen geobserveerd, systematische wetenschappelijke studie van tijd kwam pas later tot ontwikkeling. Ook voor het voorspellen van de toekomst kregen de hemellichamen een belangrijke functie en zo kwam de astrologie tot ontwikkeling, die tot op de dag van vandaag voor veel mensen de waarheid lijkt te brengen. Het ontwerpen van een kalender werd vooral belangrijk voor scheepvaart, oorlogsvoering en landbouw, de kalender werd gebaseerd op de beweging van hemellichamen en hier biedt de natuur voor de mens drie hoofdcycli: rotatie van de aarde om de eigen as (maat voor de lengte van de dag), draaien van de maan om de aarde (maat voor maanden) en draaien van de aarde om de zon (maat voor jaren). Hierbij ontstaat het probleem dat de aarde niet in precies 365 dagen om de zon draait maar in 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en bijna 46 seconden, waardoor om de zoveel tijd aanpassingen nodig zijn in de vorm van een schrikkeljaar. Er zijn verschillende soorten aanpassingen geweest: in 45 voor Christus bepaalde Julius Caesar dat een jaar voortaan 366 dagen heeft en in 1578 ontstond de Gregoriaanse kalender tijdens paus Gregorius de XIII, die tien dagen liet verdwijnen zodat het na 4 oktober 1582 ineens 15 oktober werd!
In de ontwikkeling van tijdmeting drukt zich een abstracter wordend tijdsbesef uit. De tijdmeting begint met eenvoudige manieren van tellen en pogingen kalenders te ontwerpen en eindigt vooralsnog met de moderne atoomklok. De zonnewijzer verloor zijn betekenis met de komst van de mechanische klok die verschillende verbeteringen ondergaat maar de overeenkomst tussen zonnewijzer en mechanische klok blijft dat in beide systemen de tijd afgeleid wordt uit bewegingen van zon, maan en sterren ten opzichte van de zon. De mechanische klok werd opgevolgd door de kwartsklok en rond 1879 opperde Kelvin het idee voor een atoomklok: hij ontdekte dat sodium overal, onafhankelijk van zijn positie in het universum, op dezelfde wijze vibreert en hij stelde een atoomklok voor op basis van cesium, een cesiumatoom tikt 1014 per seconde. Om een voorbeeld te geven van de nauwkeurigheid van de atoomklok in vergelijking tot de mecha-nische klok: de chronometer van Harisson was tot op 3 seconden per dag nauwkeurig, de huidige atoomklok is ten opzichte van de Big Bang (verondersteld begin van het heelal ongeveer 11 miljard jaar geleden,) tot binnen de seconde nauwkeurig. Sinds 1967 wordt de seconde niet meer gerelateerd aan de beweging van planeten maar aan de kwantumtoestand van een cesiumatoom, daarmee lijkt een einde te zijn gekomen aan de astronomische tijd gerelateerd aan de beweging van de hemellichamen. De paradoxale situatie ontstaat dat het kwantumeffect waarop atoomklokken werken zeer precies is en daarmee een heel precieze seconde ontstaat (de seconde is de duur van ruim 9 miljard periodes van straling van het cesiumatoom 133 in zijn grondtoestand) maar de zo gemeten tijd regelmatig moet worden bijgesteld omdat de aarde niet regelmatig draait en er ook andere storingen plaatsvinden zoals wind en seizoensinvloeden: de atomaire tijd en daglengte op aarde lopen per dag 1 milliseconde uiteen zodat eens in de zoveel tijd een paar seconden moeten worden toegevoegd.

 

Naast toenemende nauwkeurigheid van klokken worden sinds het einde van de 18de eeuw verschillende pogingen tot standaardisering van de tijd op wereldschaal ondernomen. Een voorstel tot invoering van een 10 urige dag wordt afgewezen maar tijdens de Conferentie Du Mètre in 1875 werd een bureau opgericht voor het standaardiseren van maten, de internationale kilo en meter doen hun intrede; een inter-nationale seconde blijft tot 1950 ontbreken.
Er bestaat geen wereldklok die dé tijd aangeeft maar wel twee tijdschalen, International Atomic Time (TAI) en Coordinated Univer-sal Time (UTC), eerstgenoemde is gebaseerd op het tikken van cesium-atomen, tweede op Greenwich tijd die weer gebaseerd is op aard-rotatie. Sinds de 80er jaren van de 20ste eeuw vindt tijd-overbrenging plaats via twee satellietsystemen, GPS en Glonass waardoor precieze positiebepaling mogelijk wordt, vooral gebruikt voor militaire doeleinden.
Sinds 1983 wordt de meter in termen van lichtsnelheid gedefinieerd, waarin de door Einstein gemaakte koppeling tussen ruimte en tijd zichtbaar wordt.

Theorieën over tijd in de natuurwetenschappen
Binnen de natuurwetenschappen zorgen de Newtoniaanse mechanica, thermodynamica, Einsteins speciale en algemene relativiteitstheorie en de kwantumfysica voor een veranderend begrip van tijd en daarbij horen soms opzienbarende consequenties die ingaan tegen onze alledaagse ervaring. Newton onderscheidde relatieve, gewone, tijd als maat van duur van beweging (b.v. dag, maand, jaar) en absolute, mathematische, tijd die altijd gelijkmatig vloeit en reëel bestaat onaf-hankelijk van materie en beweging. Centrale begrippen ten aanzien van de absolute tijd zijn in de Newtoniaanse mechanica omkeer-baarheid (het maakt niet uit of de beweging ofwel plaatsverandering, toekomst, heden of verleden betreft, de tijd heeft geen tijdspijl, richting) én wetmatigheid en determinisme, met als gevolg dat zodra de krachten bekend zijn een bepaalde toestand van het systeem voldoen-de is om het systeem volledig te kunnen berekenen, dat wil zeggen zijn verleden, heden en toekomst. Het tijdsbegrip van Newton is door Leibniz filosofisch verwerkt, hij beschouwde tijd als rechte lijn, als een gelijkvormig verlopend continuüm en alle ongelijkvormige bewe-gingen waren volgens hem te herleiden tot gelijkvormige.
De tweede hoofdwet van de thermodynamica, een gebied waarmee wetenschappers als Clausius, Carnot, Kelvin en Boltzmann zich bezig-hielden, luidt dat onder gelijk blijvende omstandigheden de entropie of wanorde van een gesloten systeem toeneemt, wat betekent dat sprake is van onomkeerbaarheid: de begintoestand verschilt van de eindtoestand en vanuit de eindtoestand is het niet mogelijk weer in de begintoestand te geraken. Deze wet verhoudt zich problematisch tot de in de fysica veronderstelde omkeerbaarheid van alle fundamentele fysische wetmatigheden. De tweede hoofdwet van de thermodyna-mica veronderstelt een tijdpijl, dat tijd een richting heeft, en voorspelt het onomkeerbare proces van uiteindelijke hittedood van het heelal. Het bestaan en de formatie van zwarte gaten lijken te wijzen op onom-keerbaarheid maar hierover bestaat tot op de dag van vandaag onder natuurwetenschappers geen overeenstemming. Theoretisch kan, inge-val het heelal zich na uitdijing zou samentrekken, de tijdpijl omkeren wat zou betekenen dat de richting van verleden naar toekomst zich omdraait van toekomst naar verleden, vanuit onze toekomst zouden wij ons ontwikkelen naar ons verleden.
Einstein ontdekte dat tijd niet eenvoudigweg daar is maar onderhevig is aan fysische wetten. Hij hanteerde in zijn speciale relativiteitstheorie een flexibel tijdsbegrip waarin tijd gebonden is aan beweging van de waarnemer. Volgens de speciale relativiteitstheorie is geen sprake van dé tijd, bestaat geen universeel nu waarover waarnemers die met verschillende snelheden bewegen het eens kunnen zijn. Volgens de algemene relativiteitstheorie blijken de klokken afhankelijk van de in-vloed van de zwaartekracht en van beweging verschillend te lopen: dicht bij een zwaartekrachtsveld, bij de zeespiegel bijvoorbeeld, wordt tijd onder invloed van de zwaartekracht anders gemeten, verloopt zij trager, dan op vier kilometer hoogte en in de vrije ruimte reizend met de lichtsnelheid verloopt de tijd trager dan wanneer met aardse snelheid wordt bewogen. Deze gebeurtenissen gaan tegen onze erva-ring in omdat op aarde de zwaartekracht overal nagenoeg hetzelfde is en snelheidsverschillen meestal te klein zijn om deze te kunnen opmer-ken. De verbinding tussen klokken, beweging en zwaartekracht zorgt ervoor dat gelijktijdigheid, heden verleden en toekomst, een probleem worden, zij zijn niet eenduidig voor iedereen te bepalen omdat zij afhankelijk zijn van beweging en de positie van de bepaler: terug-gekomen van een ruimtereis met lichtsnelheid zou blijken dat het leven op aarde aanmerkelijk sneller is verlopen dan dat van de ruimtereiziger.

Een consequentie van de relatie tussen gravitatie, beweging en tijd is volgens de relativiteitstheorie dat ruimte en tijd aan elkaar gekoppeld worden als vierde dimensie (Einstein, Minkowski): ruimte-tijd kan gekromd en vervormd worden door de materie en energie in het heelal, deze kromming in de geometrie van de ruimtetijd wordt zwaartekrachtveld genoemd; een zwaartekrachtveld veroorzaakt niet een tijdkromming maar is een tijdkromming veroorzaakt door materie en energie. Newtons idee van zwaartekracht als werking op afstand wordt hiermee verlaten. In 1960 werd experimenteel bewezen dat tijd in een zwaartekrachtveld langzamer loopt dan daarbuiten. Theoretisch kan de ruimte-tijd oneindig gekromd worden in een oneindig zwaartekrachtveld en dit zou het einde betekenen van de tijd, tijd zou dan ophouden te bestaan. Einstein verzette zich tegen de moge-lijkheid van oneindige tijdkromming en ineenstorting van materie en tegen het idee dat het heelal begint en eindigt in een singulariteit, een punt van oneindige compressie van de materie.
Net als in de relativiteitstheorie bestaat volgens de kwantumfysica geen perfecte klok waarmee voor iedereen eenduidig dé tijd kan worden vastgesteld en binnen deze theorie wordt het probleem van tijdsbepaling nog complexer. Tijd is volgens de kwantumfysica net als alle fysische processen onderworpen aan kwantumonzekerheid omdat om verschillende redenen principieel niet uit te maken is hoe deeltjes zich precies gedragen. Hun snelheid en positie zijn niet tegelijkertijd vast te stellen, deeltjes blijken ook op grote afstand met elkaar in contact te staan en onze waarneming beïnvloedt de uitkomst; het is dan ook niet mogelijk te zeggen wanneer iets precies gebeurt. Dit alles heeft als verregaande consequentie dat een kwantumbe-schrijving van een gebeurtenis niet een enkele ruimtetijd met een juist gedefinieerde geometrie is, maar alle mogelijke geometrieën en alle mogelijke ruimtetijden van die gebeurtenis. Een object heeft met andere woorden niet één geschiedenis maar alle mogelijke geschie-denissen. Zo kan volgens het gedachte-experiment van de natuur-wetenschapper Schrödinger de in kwantumtoestand opgesloten kat zolang wij niet in de doos kijken alle waarschijnlijkheden (golffuncties) aannemen, dood én levend zijn, pas wanneer wij kijken storten de golffuncties ineen en wordt definitief bepaald of de kat dood of levend is. Schrödinger wilde overigens met dit gedachte-experiment laten zien dat de Kopenhagen interpretatie (Bohr e.a.) van de kwantum-fysica tot dergelijke problemen leidt.
Een andere merkwaardige theoretische mogelijkheid van de kwan-tumfysica, geopperd door Hawking en Hartle is dat tijd zich in de zwaarte-krachtomgeving van de oerknal gedraagt als ruimte, een nieuwe aanwijzing voor de verbondenheid van tijd en ruimte en voor de tijdelijkheid van tijd. Hawking en Hartle verwerpen overigens het idee dat tijd een abrupt begin heeft in de singulariteit (punt van oneindige compressie van de materie, waaruit het heelal ontstaat).
Relativiteitstheorie en kwantumfysica sluiten theoretisch de mogelijk-heid van tijdreizen niet uit, hoewel Penrose beweert van wel: uitgaande van ontstaan en eindigen van het heelal in een singulariteit zou de tijd volgens hem slechts één richting hebben terwijl tijdreizen een gesloten cirkel veronderstelt. Los van de juistheid van de opvatting van Penrose, wordt de mogelijkheid van tijdreizen in een apparaat ge-confronteerd met een aantal praktische problemen en paradoxen: voor tijdreizen moet de lichtsnelheid overwonnen worden en dan wordt materie oneindig zwaar; tijdreizen impliceert omdraaiing van oorzaak - en gevolgrelaties waardoor ik de oorzaak van mijn bestaan zou kunnen tegenkomen; in geval tijd niet bestaat is omkeerbaarheid niet mogelijk en bijgevolg tijdreizen evenmin. De mogelijkheid van teruggaan in de tijd zou ook betekenen dat verleden, heden en toekomst parallel aan elkaar bestaan en het is de vraag wat dat en ons heen en weer bewegen hiertussen voor consequenties heeft. Misschien dienen we ons de mogelijkheid van tijdreizen eerder voor te stellen als binding van onze hersenen met andere gebieden in het heelal, zonder lichamelijke verplaatsing en via dimensies die wij nu niet kennen. Probleem blijft dat ook deze mogelijkheid van tijdreizen een voor ons begrip enorme chaos zou veroorzaken, ervan uitgaande dat alles met elkaar in verbinding staat, waar de kwantumfysica op lijkt te wijzen.
Theoretisch natuurkundigen hebben kosmologische modellen ontwor-pen waarin de tijd op verschillende manieren wordt begrepen. Een van de ideeën is dat het heelal ontstaat vanuit één beginpunt, schepping of singulariteit, waarbinnen verschillende varianten denkbaar zijn: vanuit een begin eeuwig doorgaan van het heelal; een vanuit de singulariteit zich uitdijend heelal dat terugkeert naar de singulariteit met omkering van de tijd als gevolg; een eeuwige herhaling van uitdijing en inkrim-ping; een heelal dat de hittedood sterft. Een tweede idee is dat van een eeuwig bestaand eindeloos heelal zonder begin en einde met als varianten: beweging, tijd en verandering bestaan niet, alles ligt vast; partiële bewegingen bijvoorbeeld verwijdering in een gedeelte van het heelal; vanuit elk punt ontstaan van een oneindig aantal vertakkingen naar alle richtingen. Een derde idee is het bestaan van verschillende heelallen met als varianten verschillende heelallen met verschillende wetmatigheden en een eindeloos aantal heelallen waarin wij eindeloos voorkomen. Ook is het idee geopperd van het universum als de bewe-ging van één elektron.
Aan deze kosmologische modellen valt op dat de oude filosofische vraag of alles een begin heeft of niet en hoe wij ons dit moeten voorstellen, nog steeds actueel is. Vroeger had men het over de wereld die zich wellicht bevindt op de rug van een schildpad en deze weer op de rug van een ander schildpad en zo tot in het oneindige, nu vraagt men zich af wat er voor de Big Bang was of waarin het oneindige zich bevindt. De vraag of het universum eeuwig zou bestaan of een begin heeft komt eigenlijk op hetzelfde neer: hoe zijn begin of de eeuwigheid ontstaan en hoe kan het probleem van oneindige regressie worden opgelost?

Conclusies en vragen
Bovenstaande schets van ontwikkelingen met betrekking tot tijd geeft aanleiding tot een aantal conclusies en vragen. Opvattingen over tijd hangen samen met ons beeld van de werkelijkheid en veranderen met het toenemen van onze kennis, met name op natuurwetenschappelijk gebied. Het vertrouwen in een rotsvaste, absolute, gelijkmatig verlo-pende tijd hebben we moeten inruilen voor het idee van een tijd die flexibel en relatief is en onderhevig aan fundamentele onzekerheid. De oude vraag in hoeverre tijd objectief bestaat blijft overeind hoewel de voorgestelde oplossingen veranderd zijn: de schildpad is vervangen door singulariteit en Big Bang, maar waaruit is de singulariteit ont-staan, of als er sprake is van een eeuwig heelal, waarin bevindt zich de eeuwigheid en is eeuwigheid te verenigen met beweging en tijd of staat dan alles vast en is tijd noch ontwikkeling mogelijk? Is wat wij als beweging zien wel beweging of is het vanuit een ander standpunt bekeken stilstand? Probleem bij de beantwoording van dit soort vragen blijft ons beperkte perspectief: wij zien maar een heel klein gedeelte van het geheel, als er al sprake is van een geheel, en waarschijnlijk zit alles veel ingewikkelder in elkaar dan wij nu kunnen vermoeden, ook verschillende onopgeloste problemen in de natuur-wetenschap wijzen hierop: het probleem van omkeerbaarheid van de fundamentele fysische wetten maar onomkeerbaarheid van warmte-processen volgens de tweede hoofdwet van de thermodynamica, de onverenigbaarheid van relativiteitstheorie en kwantumfysica, de problematisch geworden berekeningen ten aanzien van de Big Bang, het probleem van bepalen van gelijktijdigheid, verleden en toekomst, et cetera.

   

Om te kunnen bepalen of voor ons een beweging voor- of achteruitgaat hebben wij een referentiekader nodig, hiervoor neemt de mens de beweging van maan, zon en andere sterren ten opzichte van de aarde als uitgangspunt. Hetzelfde geldt voor het bepalen van tijd: passend bij zijn positie in het voor hem waarneembare deel van het universum heeft de mens methoden van tijdmeting gecreëerd om de duur van gebeurtenissen te bepalen. Een van de opmerkelijke gevol-gen van deze ontwikkeling is dat door toenemende mogelijkheden om gebeurtenissen op te slaan en gebeurtenissen uit wat wij verleden noemen te ontleden, in toenemende mate het verleden ons en wij het verleden beïnvloeden (dit kan als een vorm van tijdreizen worden beschouwd); ook de astronomie levert hierin een belangrijke bijdrage, tijdens observatie van het heelal kijken wij immers terug in het verleden. Zonder referentiekader is niet te bepalen of wij vooruit of achteruit in de tijd gaan en afhankelijk van het referentiekader gaan wij vooruit, van jong naar oud, of achteruit, vergaan wij tot stof. Onze biologische klok én de praktische resultaten die de verschillende methoden van tijdmeting en het begrip van tijd vanuit de na-tuurwetenschappen opleveren voor het dagelijks leven, ruimtevaart en helaas ook voor oorlogsvoering, tonen dat ons begrip en hanteren van tijd onze relatie uitdrukken met de natuur: wij begrijpen en meten tijd vanuit ons aardse perspectief met historisch ontwikkelde kennis en methoden van tijdmeting die steeds nauwkeuriger worden maar uiteindelijk gebonden blijven aan onze positie op aarde ten opzichte van de ons omringende hemellichamen. De materie bouwt ruimte en de ruimte heeft iets dat wij als tijd ervaren. Dat wij in de ruimte bewegen en processen een duur hebben, van de ene fase naar de andere bewegen, bewerkstelligt in ons het idee van tijd. Wat in ons de ervaring tijd veroorzaakt is onze biologische ‘klok’, chemische ‘klokken’ zoals radioactief verval, planeten en sterren en onze beweging ten opzichte hiervan. De tijd zoals wij die meten in seconden, uren, jaren en lichtjaren, is aan deze processen gerelateerd maar bestaat alleen in onze geschiedenis, in ons systeem en heeft hierbuiten geen betekenis. Tijd zoals wij die meten is een product van de relatie tussen mens en universum dat met het verdwijnen van de mens vermoedelijk eveneens verdwijnt. Niet materie, ruimte en beweging en duur van processen verdwijnen maar tijd. Ook in twee andere opzichten kan gesproken worden van einde van de tijd: als het heelal begint en eindigt in een singulariteit, begint en eindigt hierin de tijd én als het heelal eeuwig is heeft tijd evenmin betekenis, verleden, heden en toekomst verliezen ten opzichte van eeuwigheid hun zin.


Lidwien Schuitemaker, juni 2002


Toelichting bij de afbeeldingen
Reeksen vertegenwoordigen tijdsverloop in de ruimte
De bakken en ringen duiden de ruimte aan.
De op een spiegel in een cirkel gelegde filographische vormen staan voor draaibewegingen in ruimte en tijd (klok?).


Literatuur
Barrow, J., The origin of the universe, De oorsprong van het heelal, Contact Amsterdam 1994.
Conversations about time, met bijdragen van Stephen Jay Gold, Jean Claude Carrière en Umberto Eco, Penguin Group London 1999.
Davies, P., About time. Einsteins unfinished revolution, Penguin Books London 1995.
Clark, G., Space, time and man, a prehistoric view, Cambridge University Press 1992.
Gribbin, J., In search of Schrödinger’s cat, Bantam Books Toronto 1984.
Hawking, S., Black holes and baby universes and other essays, Einsteins droom.
Beschouwingen over verleden en toekomst van het heelal, Bert Bakker 1993.
Hawking, S., Penrose, R., The nature of space and time, Princeton University Press, 1996.
Jones, T., Splitting the second. The story of atomic time, Institute of Physics Publishing, Bristol Philadelphia 2000.
Mooij, J.J.A., Tijd en geest. Een geschiedenis, Kok Agora Kampen 2001.
Sandbothe, M., Die Verzeitlichung der Zeit. Grundtendenzen der moderne Zeitdebatte in Philosophie und Wissenschaft, Wissen-schaftlichte Buchgesellschaft Darmstadt 1998.
Turetzki, P., Time, problems of philosophy, Routledge London 1998.  

 

 

terug naar boven